terug naar 'boek'

bestel het boek hier

info + bestel

... pag 214 - 216 ...

God wordt vanaf die causale waarneming gezien als immanent, of als transcendent. En dat kan beide. In bijvoorbeeld de Bhagavad Gita zegt de Avatar Krishna, nadat Hij een uitvoerige beschrijving heeft gegeven van zijn 'heerlijkheden' in de wereld, het volgende:

'Maar wat nut u die kennis van al deze details, o Arjuna? Dit ganse universum doordrongen hebbende met een uiterst klein deel van Mijzelf, blijf Ik (die Ik ben).'

Bhagavad Gita, H10: 42

Met andere woorden: God is in de schepping, maar tegelijk veel groter dan dat.

Op dat thema zijn drie variaties mogelijk:

  • de immanente weg:
    in China komt de hemel als het ware naar de wereld. Confucius (551 - 479 v.C.) stelde tegenover de oude egogerichte structuren, vol feodalisme en opgelegde riten, een houding van innerlijke ethiek en oprechtheid. Hij had het niet over God of de goden, maar concentreerde zich op een ideële maatschappelijke orde, gebaseerd op altruïsme. Goedheid had zich hiermee in China stevig gevestigd.
    In India richtte men zich daarentegen vanuit een spirituele traditie van ascese en meditatie op de goddelijke Bron. Het Hindoeïsme kende vanaf die tijd de traditie van de Upanishads, waarmee nu duidelijker dan ooit gesproken wordt over Brahman, de ene Bron waaruit de schepping voortkomt. Bovendien werden nu de Veda's aan iedere belangstellende verklaard, zodat algemeen begrip, inzicht en spirituele praktijk zich konden ontwikkelen: een democratisering van het geloof.
    Boeddha (ca. 560 - 480 v.C.) ontkende de ziel en de goden en legt de verantwoordelijkheid van het lijden bij de mens zelf. Hij leerde de 'vier edele waarheden' en het 'achtvoudige pad'. Geweldloosheid en onthechting zijn sleutelbegrippen voor het aflossen van karma en het beëindigen van samsara, de eeuwige kringloop van dood en wedergeboorte.
  • de transcendente weg:
    in het Midden-Oosten is er de ene transcendente God in de hemel, te beginnen bij het Joodse monotheïsme , later in het Christendom en de Islam.
  • de filosofische weg:
    in Griekenland kent men een hernieuwde, krachtige openbaring van het zelfbewustzijn van de mens, waardoor hij meer initiatief en meer verantwoordelijkheid op zich wil nemen. Het is een belangrijke filosofische impuls die een fundament vormt voor ons huidige wetenschappelijke, ethische en logische denken. Socrates is hier een sleutelfiguur, hij leefde van 469 - 399 v.C.

Met het herkennen van bovengenoemde oorzakelijke, ethische gronden van ons bestaan is, als gevolg van het ontstaan van de Homo analyticus, de luchtmens, een secundaire evolutiestap gezet. Maar binnen die context wordt er natuurlijk ook weer een tertiaire evolutiereeks zichtbaar. Dat geldt zowel voor het Oosten als voor het Westen. Hier herkennen we de bekende lijnen in. Het eerste concept van het nieuwe causale luchtbewustzijn, direct na de spiltijd, zal moeite hebben te overleven, de fundamenten van de nieuwe levensbeschouwing worden opgericht en verdedigt (aarde). Dan is er groei, innerlijk en uiterlijk; een expansie die gepaard gaat met fantastische veelheid van ideeën (water). Waar opnieuw botsing dreigt met andere culturen staat de levensbeschouwing nu voor een nieuwe opdracht zichzelf te hervinden en kracht te verzamelen (vuur). Dan zal er een vermenselijking, een rationalisering en eventueel een synthese met verwante stromingen ontstaan (lucht), waarna tenslotte het innerlijke geloof tot overtuiging wordt, in een uitgesproken dienstbaarheid en met een hoge moraal (ether).

Het westerse spirituele denken, voortbouwend op het joodse monotheïsme, kan ik daarbij als voorbeeld hanteren.

terug naar boven

UIT ...


  H1
  H2
  H3
  H4
  H5
  H6
  H7
  H8
  H9
  H10
  H11
  H12