|
terug naar 'boek' |
|
|
... pag 214 - 216 ...God wordt vanaf die causale waarneming gezien als immanent, of als transcendent. En dat kan beide. In bijvoorbeeld de Bhagavad Gita zegt de Avatar Krishna, nadat Hij een uitvoerige beschrijving heeft gegeven van zijn 'heerlijkheden' in de wereld, het volgende: 'Maar wat nut u die kennis van al deze details, o Arjuna? Dit ganse universum doordrongen hebbende met een uiterst klein deel van Mijzelf, blijf Ik (die Ik ben).' Bhagavad Gita, H10: 42 Met andere woorden: God is in de schepping, maar tegelijk veel groter dan dat. Op dat thema zijn drie variaties mogelijk:
Met het herkennen van bovengenoemde oorzakelijke, ethische gronden van ons bestaan is, als gevolg van het ontstaan van de Homo analyticus, de luchtmens, een secundaire evolutiestap gezet. Maar binnen die context wordt er natuurlijk ook weer een tertiaire evolutiereeks zichtbaar. Dat geldt zowel voor het Oosten als voor het Westen. Hier herkennen we de bekende lijnen in. Het eerste concept van het nieuwe causale luchtbewustzijn, direct na de spiltijd, zal moeite hebben te overleven, de fundamenten van de nieuwe levensbeschouwing worden opgericht en verdedigt (aarde). Dan is er groei, innerlijk en uiterlijk; een expansie die gepaard gaat met fantastische veelheid van ideeën (water). Waar opnieuw botsing dreigt met andere culturen staat de levensbeschouwing nu voor een nieuwe opdracht zichzelf te hervinden en kracht te verzamelen (vuur). Dan zal er een vermenselijking, een rationalisering en eventueel een synthese met verwante stromingen ontstaan (lucht), waarna tenslotte het innerlijke geloof tot overtuiging wordt, in een uitgesproken dienstbaarheid en met een hoge moraal (ether). Het westerse spirituele denken, voortbouwend op het joodse monotheïsme, kan ik daarbij als voorbeeld hanteren. terug naar boven |
UIT ... |