Vitalisme en elementaire evolutie
In 1859 werd het beroemde boek van Darwin gepubliceerd: On the origin of species by means of natural selection. Daarin beschreef hij hoe het oneindige aantal soorten op deze planeet kan zijn ontstaan. Het komt er kort gezegd op neer dat de best aangepaste nakomelingen overleven en hun erfelijkheid doorgeven aan de volgende generatie: natuurlijke selectie.
Maar deze selectie kan niet alles verklaren, want om echt nieuwe soorten te krijgen zijn mutaties nodig. Pas rond 1900 ontdekte men deze plotselinge wijzigingen in de erfelijkheid. En zo’n vijftig jaar later werd de bouw van het DNA ontrafeld en begreep men wat de chemische oorzaak is van die mutaties. Belangrijk is dat mutaties toevallig plaatsvinden en in verreweg de meeste gevallen zullen ze schadelijk zijn voor het individu. Het gaat bijna altijd mis, het gen wordt dan door de mutatie uitgeschakeld en maar zelden zal er een gunstige wijziging zijn.
Het ontstaan van nieuwe soorten is dus het gevolg van natuurlijke selectie, maar vooral ook van toevallige mutaties. Vandaar dat de biologie steeds zegt dat de evolutie niet gestuurd is. Het is niet doelgericht. Daar wil ik anders over denken want met toeval en selectie ben je er nog niet, er is meer aan de hand.
Vitalisme
Tegenwoordig wordt veel nagedacht over de snelheid waarmee de evolutie plaatsvindt. Een kleine vier miljard jaar geleden is het eerste leven ontstaan. Dat is onvoorstelbaar lang geleden. Maar uit fossiele vondsten blijkt de evolutie lang niet altijd even snel verliep. Soms ging het proces heel snel en dan ging er weer een lange tijd overheen waarin er weinig gebeurde. Het is hollen of stilstaan. Die vier miljard jaar wordt dus bij lange na niet benut om nieuwe soorten te creëren. Nuttige mutaties zijn zeldzaam en gaan vaak ook nog in grote populaties weer ten onder, zeker als het milieu niet om die aanpassingen vraagt. De conclusie is dat er domweg veel te weinig tijd is om echt nieuwe soorten te vormen. Want een nieuwe soort vraagt om zeer veel mutaties die bovendien op elkaar afgestemd moeten zijn.
Een voorbeeld is het ontstaan van chimpansees en mensen uit dezelfde voorouders. Deze ontwikkeling is ongeveer 1 miljoen generaties gaande, genoeg voor hooguit enkele duizenden mutaties. Het DNA van mens en chimpansee lijkt sterk op elkaar maar er zijn voor hun evolutie toch zo’n 40 miljoen mutaties nodig geweest. Het benodigde aantal nuttige mutaties zou dus neerkomen op 40 per generatie. Met wat we nu weten van mutaties is dat onmogelijk, en toch is dat gebeurd. Onderzoekers testen nu allerlei hypothesen om te begrijpen hoe het DNA zo snel kon veranderen. Theorieën daarover bestaan en waarnemingen geven hier en daar ook bevestiging.
Let wel, ik ben geen creationist. Ik denk niet dat God de evolutie in de hand houdt en persoonlijk de benodigde mutaties in het DNA aanbrengt. Maar hoe dan is die snelheid verhoogd en bovendien in de richting van hoogbewuste wezens? Daarbij denk ik aan een vorm van vitalisme. Er is geen God die in het DNA aan het knutselen is, maar er is wel een inherente drang die op een soort ‘eindproduct’ aanstuurt. Dat eindproduct houdt in: organismen met een zo hoog mogelijke bewustzijn. Een hoog bewustzijn is zelfbewustzijn, zoals dat alleen bij enkele van de hoogst ontwikkelde soorten voorkomt, onder andere bij de mens. Dat zelfbewustzijn vraagt bovendien om fysieke aanpassingen waarmee het als het ware handen en voeten krijgt om er ook iets mee te kunnen doen, om daadwerkelijk scheppend werk te kunnen verrichten.
Dat gaat bijvoorbeeld als volgt.
Het doel is een kast te bouwen en daarvoor is een bouwpakket besteld bij de IKEA met alle onderdelen die daarvoor nodig zijn, planken, schroeven, scharnieren, enzovoort. Als je dat hele spul tussen een groep bavianen legt kun je lang wachten voordat dat er een kast staat of zelfs maar iets wat erop lijkt. Louter toeval, het uitgangspunt van het huidige darwinisme, leidt hier nergens toe. Als je de onderdelen echter voor een paar handige klussers neerlegt zal er wel degelijk een kast komen te staan, zelfs al zou de beschrijving ontbreken. Het zelfbewustzijn en de kennis van het doel zorgen ervoor dat er gericht gebouwd wordt totdat die kast klaar is. De bavianen hebben geen idee maar de klussers weten waaraan ze bouwen, wat het doel is van hun werk. Zo heeft de scheppende Bron ook een doel voor ogen en dat is de vitale en gerichte kracht achter de evolutie. Het is aan de materialisten om de stoffelijke mechanismen ervan te begrijpen, maar het is aan de Schepper om deze de juiste kant op te sturen.
Elementaire evolutie
Een tweede opvallende punt is de discontinuïteit van levensvormen. De stamboom van het leven heeft grote holtes tussen de takken. Er zijn katachtigen en hondachtigen die in feite vrij nauw verwant zijn, maar er zijn geen tussenvormen. Er zijn vissen en er zijn amfibieën maar daartussenin zit bijna niets. Dat is vreemd omdat het darwinisme uitgaat van geleidelijke aanpassingen en de natuurlijke omstandigheden in de tijd meestal ook maar geleidelijk aan veranderen. Dus waarom die afgesloten groepen? De mogelijke tussenvormen worden soms als fossielen gevonden maar hebben blijkbaar slechts een beperkte houdbaarheid en zijn inmiddels weer uitgestorven. Het gebrek aan voldoende fossiele resten is daarbij een probleem om te kunnen nagaan hoe bijvoorbeeld de evolutie van amfibieën uit vissen heeft plaatsgevonden.
De hele biodiversiteit bestaat dus uit afgesloten groepen die in het verre verleden wel gemeenschappelijke voorouders hebben gehad, maar waarvan de tussenvormen al na korte tijd zijn verdwenen.
Linnaeus heeft handig gebruik gemaakt van de verschillende anatomische eigenschappen om de soorten te kunnen classificeren. De grotere groepen worden elk gekenmerkt door een speciaal bouwplan. Het ontstaan daarvan is afgestemd op aanpassingen aan het ecosysteem. Vergelijk het maar met verschillende bouwplannen voor menselijk transport: fietsen, auto’s, boten en vliegtuigen. Maar zijn deze toevallig ontstaan? Nee, ze voorzien in een menselijke behoefte om zich te verplaatsen. Zo ook zijn de hoofdafdelingen, klassen en orden van Linnaeus ontstaan. Niet toevalligerwijs maar om een behoefte te vervullen, de behoefte van de scheppende Bron. En daarin spelen de elementen een beslissende rol. Zij geven structuur aan de diversiteit van het leven. Ik ga ervanuit dat deze staan voor een evolutie van het bewustzijn van het organisme.
Zoals vitalisme versnelling kan geven aan de evolutie kunnen de vijf elementen de structuur geven aan de stamboom van het leven. Dit is uitgebreid uitgewerkt in het boek ‘De mens - een morele evolutie’. Zo zijn er vijf natuurrijken: mineralen (aarde), planten (water), dieren (vuur), mensen (lucht) en heiligen (ether). Binnen het dierenrijk zijn er ook vijf elementaire groepen: eencelligen (aarde), sponzen en holtedieren (water), ronde en platte wormen (vuur), gelede of gesegmenteerde dieren zoals ringwormen, stekelhuidigen, weekdieren en geleedpotigen (lucht), en als laatste groep de gewervelde dieren (ether). En dan zijn er natuurlijk de vijf typen mensen op basis van hun morele vaardigheden en de ontwikkeling van hun geweten. Achtereenvolgens ontwikkelen ze de volgende kenmerken: geweldloosheid (aardemensen), niet liegen (watermensen), niet stelen (vuurmensen), geen misbruik maken (luchtmensen) en niet begeren (ethermensen).
Alle levensvormen zijn in te delen in een periodiek systeem met verticaal en horizontaal de elementen aarde, water, vuur, lucht en ether. Het geheel duidt op een algehele ontwikkeling van het bewustzijn.
Al met al krijgt de evolutie vaart en structuur door inzet van de ziel.